Herziene RIE pas dit najaar in werking
De herziening van de RIE vindt haar oorsprong in de Europese Green Deal van 2019. Daarbij staan vooral het nieuwe milieubeheersysteem (MBS) ter vervanging van de decretale milieuaudit, de hervorming van de rol van de milieucoördinator, immissiemonitoring en technieken in opkomst (TO-GEN en TO-GMPN) centraal. Momenteel gaat het nog om ontwerpteksten waardoor bepaalde onderdelen nog kunnen wijzigen. Op 29 mei is het decreet definitief goedgekeurd door de Vlaamse Regering. Dit zal vervolgens worden ingediend in het parlement, waarna het besproken zal worden op de commissie en erover zal worden gestemd in de plenaire vergadering met finaal bekrachtiging en publicatie. De inwerkingtreding zal dus waarschijnlijk eerder voor dit najaar zijn. Daarenboven kan het Europese Omnibus VIII-pakket er volgende maanden nog voor zorgen dat bijvoorbeeld de inventarisatie van de gevaarlijke chemische stoffen en het transformatieplan uit het milieubeheersysteem geschrapt worden.
Wijzigingen
Het milieubeheersysteem vervangt de decretale milieuaudit
Een van de belangrijkste wijzigingen is dat de bestaande decretale milieuaudit wordt afgeschaft en vervangen door een milieubeheersysteem (nieuwe artikel 14bis RIE). Waar de milieuaudit eerder een periodieke momentopname was, kiest Vlaanderen nu voor een systeem van continue verbetering, beter afgestemd op internationale managementsystemen waarbij uitdrukkelijk ruimte gelaten wordt om te verwijzen naar bestaande documenten of systemen zodat dubbele administratie vermeden wordt.
Het milieubeheersysteem bevat:
-
de milieubeleidsdoelstellingen voor continue verbetering van milieuprestaties en veiligheid;
-
de doelstellingen en prestatie-indicatoren met betrekking tot de milieuaspecten van het bedrijf;
-
de resultaten van een energieaudit of een energiebeheersysteem (indien van toepassing);
-
de genomen maatregelen om de milieudoelstellingen te verwezenlijken en risico’s te voorkomen;
-
momenteel staat er ook nog in dat er een inventarisatie van de gevaarlijke chemische stoffen (met specifieke aandacht voor stoffen die voldoen aan de criteria van artikel 57 van de REACH-verordening en stoffen die onder de beperkingen vallen van bijlage 17 van diezelfde verordening) moet inzitten van stoffen die in de installatie aanwezig zijn of worden uitgestoten als zodanig, als bestanddeel van andere stoffen of als onderdeel van mengsels met ook een risicobeoordeling van de gevolgen van die stoffen voor de gezondheid en voor het milieu en een analyse van de mogelijkheden om die stoffen door veiligere alternatieven te substitueren of het gebruik of de emissies van die stoffen te verminderen;
-
momenteel staat het transformatieplan er ook nog in. Dit is de manier waarop de exploitant de installatie van 2030 tot 2050 zal transformeren om bij te dragen aan de tot standkoming van een duurzame, schone, circulaire en klimaatneutrale economie uiterlijk in 2050.
Voor het toepassingsgebied worden in de indelingslijst twee nieuwe codes ingevoerd: M1 en M2. De M1-code geldt voor de grotere en meer milieurelevante installaties (in hoofdzaak GPBV-installaties) en stookinstallaties tussen 20 en 50 MW (ca. 90 % van de emissies van verontreinigde stoffen vermeld in de IEPR) en verplicht bedrijven om uiterlijk tegen 1 juli 2027 een milieubeheersysteem te hebben dat ook om de drie jaar extern geaudit wordt door een conformiteitsbeoordelingsinstantie of milieuverificateur. De M2-code geldt voor andere klasse 1-bedrijven met milieucoördinator die niet onder M1 vallen. Zij moeten uiterlijk tegen 1 juli 2028 een milieubeheersysteem opzetten, maar zonder verplichte externe audit. Beide categorieën moeten hun systeem jaarlijks intern laten beoordelen, met rapportering van de resultaten via het jaarverslag van de milieucoördinator.
Aanpassing indelingslijst
De vroegere decretale auditkolom wordt vervangen door een kolom rond milieubeheersysteem waarin de nieuwe codes M1 en M2 worden opgenomen. De vroegere kolom over het milieujaarverslag verdwijnt, omdat de rapporteringsverplichtingen voortaan rechtstreeks in VLAREM II worden geregeld. Daarnaast worden op verschillende plaatsen bijkomende “S”-aanduidingen toegevoegd voor het situatierapport.
Parallel traject voor IEPR, MJV en zorgwekkende stoffen
Omdat de Industrial Emissions Portal Regulation (IEPR: Verordening (EU) 2024/1244 inzake rapportage van milieugegevens van industriële installaties, tot oprichting van een portaal voor industriële emissies) vanaf 2028 een grondige hervorming van de rapportering meebrengt, werkt Vlaanderen parallel aan een vernieuwing van het integrale milieujaarverslag. In afwachting daarvan worden M1- en M2-bedrijven, samen met bepaalde klasse 1-bedrijven met zelfcontroleverplichtingen, al in het toepassingsgebied van de rapporteringsregels opgenomen. Voor M1-bedrijven zal de opvolging van milieubeleidsdoelstellingen via het milieujaarverslag verlopen, zodat geen afzonderlijk rapporteringssysteem nodig is.
Milieucoördinator: afschaffing erkenning, expliciete rol in het milieubeheersysteem
De erkenning van de milieucoördinator verdwijnt vanaf 1 januari 2027, maar de functie zelf blijft behouden. De toezichtsretributie verdwijnt mee met de erkenning. De rol van de milieucoördinator wordt inhoudelijk versterkt: hij of zij krijgt expliciet minstens een ondersteunende rol bij het opstellen en opvolgen van het milieubeheersysteem. De eis dat een milieucoördinator onafhankelijk en objectief moet kunnen werken, wordt explicieter gemaakt en geldt voortaan duidelijker voor zowel interne als externe milieucoördinatoren. De aanstellings-, diploma- en ervaringsvoorwaarden voor milieucoördinatoren van niveau A en B worden geactualiseerd met een sterkere koppeling aan wetenschappelijke opleidingsrichtingen. Bestaande getuigschriften blijven geldig, zodat de huidige milieucoördinatoren hun statuut behouden. Ook de rol van de overheid verandert: onder meer de instemming of advisering van de afdeling milieu bij sommige aanstellingen of vervangingen wordt geschrapt.
Aanscherpen afwijkingen + immissie-monitoring
Daarnaast worden de regels voor afwijkingen aangescherpt. Een afwijking van BBT-geassocieerde emissie- en prestatieniveaus (in de BREF’s opgenomen als range) blijft mogelijk, maar wordt in tijd beperkt tot maximaal vier jaar. Als de lokale milieukwaliteitsnorm in het gedrang komt, kan er momenteel al in de vergunning een strengere lozingsnorm opgenomen worden.
In RIE 2.0 wordt daaraan toegevoegd dat er naast emissiemonitoring ook mogelijk een immissiemonitoring (concentratiemetingen) in de vergunning kan opgelegd worden (voor lucht en water) als de uitgestoten vracht van de installatie een kwantificeerbaar of meetbaar effect heeft op de omgeving. Aan de hand van die immissiemonitoring kan je evalueren of de opgelegde strengere lozingsnorm voldoende streng is. Als er een immissiemeting voor lucht moet gebeuren wordt dit uitgevoerd door VMM (op kosten van de exploitant). De vergunning bepaalt dan minstens het type meting, het aantal meetlocaties, de parameters en de meetfrequentie.
Individuele afwijkingen ook voor andere dan GPBV-installaties
Er werd voor gekozen om individuele afwijking breder toe te passen dan enkel voor GPBV-installaties. Zo is er een afwijkingsmogelijkheid voor technieken op komst. Die kan verkregen worden zowel voor de technieken, voor de emissiegrenswaarden en prestatieniveaus en dit voor maximum 30 maanden als ook voor een afwijking in het kader van (afgelijnde) crisissituaties (andere dan calamiteiten) waarvoor er een maximale termijn van 3 maanden geldt die mogelijk één keer verlengd kan worden.
Innovatie
De herziene RIE wil innovatie sterker verankeren in het BBT-proces. Daarom wordt meer aandacht besteed aan “technieken in opkomst”: innovatieve technieken waarvoor in toekomstige BBT-conclusies specifieke emissie- of prestatieniveaus (TO-GEN en TO-GMPN) kunnen worden opgenomen. Bedrijven die dergelijke technieken willen testen of invoeren, kunnen daarvoor meer tijd krijgen dan onder het klassieke BBT-regime. De bedoeling is om innovatie niet langer als uitzondering te behandelen, maar als een volwaardig onderdeel van vergunningverlening en milieuregelgeving.
Het Europese innovatiecentrum “Incite” zal de brug vormen tussen innovatieve technieken en het BBT-proces. Daarnaast introduceert de RIE het begrip “ingrijpende industriële transformatie”. Daarmee wordt vooral gedoeld op ingrepen die samenhangen met decarbonisatie of een fundamentele omschakeling van industriële processen. Voor zulke transformaties kan onder voorwaarden een langere overgangsperiode gelden, tot maximaal acht jaar.
Toevoeging van criteria voor BBT (Bijlage 3.3 VLAREM II)
Om te bepalen wat BBT is, zal in de toekomst ook rekening moeten houden met minder gebruik van zorgwekkende stoffen; bij het verbruik en de aard van de grondstoffen zal ook rekening moeten gehouden worden met de milieuprestatie (hulpbronnenefficiëntie, hergebruik en decarbonisatie); om risico’s voor het milieu te voorkomen zal ook de biodiversiteit in overweging genomen worden en men heeft ook de menselijke gezondheid toegevoegd.