Interesse?

Wenst u meer nieuws, praktische informatie en wetgeving over welzijn op het werk, milieu en arbeidsgeneeskunde?

Wanneer zijn er milderende maatregelen nodig voor lozing bedrijfsafvalwater?

Nieuws - 13/04/2021
-
Auteur(s): 
Guy Van den Broeke – senior consultant Arcadis Belgium nv


De ingreep lozing van afvalwater, effectgroep oppervlaktewaterkwaliteit, wordt sinds februari 2021 aangepast naar aanleiding van het nieuw beoordelingskader voor de impact van lozing van bedrijfsafvalwater in oppervlaktewater in het kader van het Wezer-arrest en de Kaderrichtlijn Water. Er moet nu een onderzoek gebeuren om milderende maatregelen voor te stellen indien de doelstellingen van het Wezer-stappenplan niet gehaald worden maar er geen duidelijke achteruitgang is én indien het stappenplan aangeeft dat er een duidelijke achteruitgang is. Hoe negatiever de effecten, hoe uitvoeriger deze motivatie moet zijn.

Verwaarloosbaar effect
Er is een verwaarloosbaar effect (score 0 in MER-beoodelingskader) indien uit stap 4 in Wezer-stappenplan blijkt dat de impact in worst case (maximale geloosde vuilvracht gecombineerd met het laagwaterdebiet van de ontvangende waterloop) niet relevant is. Er zal geen relevante impact zijn op de kwaliteit als de procentuele bijdrage kleiner is dan 10% van de milieukwaliteitsnorm na volledige verdunning in oppervlaktewater. 

Beperkt negatief effect

Er is een beperkt negatief effect (score -1 in MER-beoodelingskader) indien uit Wezer-stappelplan blijkt dat de doelstellingen worden gehaald en er geen duidelijke achteruitgang is. Aangezien de milieukwaliteit in referentiesituatie voldoet dient er niet gezocht te worden naar milderende maatregelen. Dit is het geval indien de stroomopwaartse concentratie lager ligt dan de toetswaarde  en de stroomafwaartse concentratie ook lager ligt dan de toetswaarde dan bereken je de relevante mengzone (acuut en/of chronisch). Indien de dimensies van de mengzone voldoen aan de criteria bekom je een gunstig advies van de VMM voor nieuwe en bestaande inrichtingen.

Negatief effect

We hebben een negatief effect (score -2 in MER-beoordelingskader) indien conclusie na doorlopen stappenplan is dat de doelstellingen niet gehaald worden, maar er geen duidelijke achteruitgang is rekening houdende met de cumulatieve effecten doorheen het hele waterlichaam. In dat geval moet er een onderzoek gebeuren om milderende maatregelen voor te stellen. Dit is het geval indien de stroomopwaartse concentratie hoger ligt dan de toetswaarde en de stroomafwaartse concentratie lager ligt dan de som van de stroomopwaartse concentratie en meetfout. Dit is eveneens het geval indien de stroomopwaartse concentratie lager ligt dan de toetswaarde  en de stroomafwaartse concentratie ook lager ligt dan de toetswaarde en relevante mengzone (acuut en/of chronisch) niet voldoen aan de cirteria. 

Aanzienlijk negatief effect

We hebben een aanzienlijk negatief effect (score -3 in MER-beoordelingskader) indien conclusie na doorlopen stappenplan is dat er een duidelijke achteruitgang is. In dit geval moeten er milderende maatregelen voorgesteld worden. Dit is het geval indien de stroomopwaartse concentratie hoger ligt dan de toetswaarde  en de stroomafwaartse concentratie hoger ligt dan de som van de stroomopwaartse concentratie en meetfout. Dit is ook het geval indien de stroomopwaartse concentratie lager ligt dan de toetswaarde  en de stroomafwaartse concentratie hoger ligt dan de toetswaarde.

Van Europees Wezer-arrest tot Vlaamse lozingstool

Sinds begin februari 2021 gebeurt een uitgebreid onderzoek naar de effecten enkel voor de Vlaamse waterlichamen (VL) en de lokale waterlichamen van eerste orde (L1). Via het klassieke vergunningsadviseringstraject kan nog rekening gehouden worden met de impact op lokale waterlichamen van 2de orde (L2). Dit kan gebeuren indien de lozing van het afvalwater deze waterloop over een grote lengte beïnvloedt of wanneer deze waterloop ecologisch waardevol is (bijvoorbeeld de waterloop loopt door een natuurgebied of heeft alle kwaliteitskenmerken om een goede toestand te hebben). In stap 4 wordt in worst case de procentuele bijdrage van de lozing voor alle relevante parameters t.o.v. de jaargemiddelde (bv. metalen) of maximale (bv. BZV, CZV) toetswaarde na volledige verdunning in het ontvangende oppervlaktewater bepaald aan de hand van de maximaal geloosde vuilvracht gecombineerd met het laagwaterdebiet van de ontvangende waterloop. Hierbij wordt rekening gehouden met de stroomopwaartse concentratie. Als de procentuele bijdrage voor een parameter groter is dan 10 % wordt dit verder onderzocht. In stap 5 is het de bedoeling om die lozingen aan te duiden waarbij het risico op het niet halen van de doelstellingen en het risico op achteruitgang duidelijk aanvaardbaar of onaanvaardbaar zijn in worst case omstandigheden. Voor het onderzoeken van het risico op het niet halen van de doelstellingen, wordt gekeken of de relevante toetswaarden (voor de fysicochemische parameters dient een toetsing te gebeuren aan de maximale of jaargemiddelde toetswaarde, voor gevaarlijke stoffen zowel aan jaargemiddelde toetswaarde als aan maximale toetswaarde indien van toepassing) stroomafwaarts na volledige verdunning worden gehaald. Daarnaast wordt nagegaan of de mengzone niet te groot is ten opzichte van de dimensies van het ontvangende waterlichaam. Voor een mengzone berekening in het tijgebied van de Schelde kan overwogen worden om te werken met 3D-model van het Waterbouwkundig laboratorium. Wanneer het risico in worst case omstandigheden niet aanvaardbaar is, kan overgegaan worden tot de impactsbepaling in meer realistische omstandigheden (stappen 6 en 7 op basis van gemiddelde concentratie in plaats van maximaal vergunde concentratie ten opzichte van de jaargemiddelde milieukwaliteitsnorm voor het oppervlaktewater). Er wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds hernieuwing bestaand bedrijf of vergunning van reeds aanwezige, nog niet vergunde parameter en anderzijds een nieuwe bedrijf/lozing of uitbreiding. Bij een hervergunning van een bestaande lozing speelt de interpretatie van ‘achteruitgang’ minder. Het startpunt is de stroomopwaartse concentratie. Indien het risico aanvaardbaar is, dient nog een toetsing te gebeuren in het licht van gebiedsgericht beleid in het geval van lozing in oppervlaktewater bestemd voor drinkwaterwinning, lozing in speciale beschermingszones of lozing in speerpuntgebieden (stap 8).

‘Oude’ beoordeling

Binnen de effectgroep wijziging oppervlaktewaterkwaliteit werd tot en met januari 2021 in een MER voor de relevante parameters zowel gekeken naar de permanente (gemiddelde) impact als naar de tijdelijke (worst case) impact. Voor beide situaties wordt zowel de referentiesituatie als de geplande situatie in kaart gebracht. De impactbeoordeling gebeurde op de ontvangende waterloop, dus vaak op lokale waterlichamen van 2de orde (L2). Hierin werd geen rekening gehouden met de mengzone. Verder werd er ook geen onderscheid gemaakt tussen enerzijds hernieuwing bestaand bedrijf of vergunning van reeds aanwezige, nog niet vergunde parameter en anderzijds een nieuwe bedrijf/lozing of uitbreiding.

Permanente impact

Voor de evaluatie van de permanente (gemiddelde impact) van de lozing van een bedrijf bestond de methodiek er in eerste instantie in om stroomafwaarts een lozing voor een parameter de concentratieverhoging bij volledige menging te berekenen.
 
Om de significantie van de permanente impact van de lozing te duiden, werd het beoordelingskader in tabel 1 gehanteerd. Enerzijds berekende je de procentuele bijdrage voor een relevante parameter van de huidige gemiddelde immissiekwaliteit stroomopwaarts het lozingspunt (Y in tabel 1) ten opzichte van de kwaliteitsdoelstelling (MKN) en anderzijds berekende je de procentuele bijdrage van de concentratieverhoging (X in tabel 1) ten opzichte van dezelfde kwaliteitsdoelstelling. Merk op dat dit kader betrekking heeft op de ‘totale’ impact in de geplande situatie en niet enkel op de ‘bijkomende’ impact als gevolg van de geplande wijzigingen.  Als algemene regel gold dat een bijdrage van meer dan 10% minstens als relevant beoordeeld werd, tenzij uit beschikbare gegevens blijkt dat de huidige immissieconcentratie lager is dan de helft van de toetsingswaarde (MKN). In dit geval werd een bijdrage van meer dan 20% als relevant beoordeeld.

Tabel 1: Significantiekader permanente impact discipline water



Tijdelijke impact

Naast de permanente impact werd in een MER ook de tijdelijke impact van een lozing bekeken. 
Voor de beoordeling van de tijdelijke (worst case) impact van niet gevaarlijke stoffen (bv. BZV, CZV, zwevende stoffen, N en P) werd de milieukwaliteitsnorm als toetsingswaarde (TW in tabel 2) gebruikt.
 
Tabel 2: Significantiekader tijdelijke impact discipline water: niet gevaarlijke stoffen
 

Tabel 3: Significantiekader tijdelijke impact discipline water: gevaarlijke stoffen

 

Bronnen: 
-Departement Omgeving

-VMM