Interesse?

Wenst u meer nieuws, praktische informatie en wetgeving over welzijn op het werk, milieu en arbeidsgeneeskunde?

Covid-regels rechtsgeldig bevonden door het Hof van Cassatie

Nieuws - 06/10/2021
-
Auteur(s): 
Chris Persyn - Cautius


Er vloeide het voorbije jaar heel wat inkt over de rechtsgeldigheid van de door de regering genomen Covid-regels. Uitgerekend op het ogenblik dat deze regels sterk gereduceerd worden, en daarenboven ook de nieuwe  Pandemiewet  in werking treedt, erkent het Hof van Cassatie in een opmerkelijk arrest de rechtsgeldigheid van de genomen maatregelen. Tijd voor een update.


De ministeriële besluiten

Reeds kort na de aanvang van de pandemie legde de regering de eerste maatregelen vast om de gevolgen van de pandemie te bestrijden. Dit gebeurde via ministeriële besluiten, in essentie genomen op basis van de wet betreffende de civiele bescherming en de wet op het politieambt, maar vooral op grond van de artikelen 181, 182 en 187 van de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid. Een eerste ministerieel besluit dateert van 18 maart 2020, het actueel meest recente in een lijst van liefst vijfenveertig exemplaren, van 27 september 2021.

Zoals bekend varieerden de op die manier genomen maatregelen permanent, maar hadden zij zowel betrekking op de organisatie van de arbeid, op ondernemingen die zich richten op consumenten, en meer algemeen op het gebruik van de openbare ruimte, het openbaar vervoer en het onderwijs. Inbreuken op deze maatregelen werden via een beroep op de wet betreffende civiele bescherming bestraft, maar dit gold expliciet niet voor de regels van toepassing binnen bedrijven. Voor deze laatste categorie werd een nieuw misdrijf gecreëerd, zodat de bestraffing ervan niet gebeurde op grond van de ministeriële besluiten.

De rechtspraak

Binnen de rechtsleer werden vragen gesteld bij de rechtsgeldigheid van de genomen maatregelen. De als basis ervoor ingeroepen wet betreffende de civiele veiligheid leek voor velen eerder wankel, zeker om bij het aanhouden van de pandemie ernstige beperkingen op te leggen aan het principiële recht op bewegingsvrijheid. De overgrote meerderheid van de politierechters, tot wiens bevoegdheid de vervolging van inbreuken op de ten aanzien van de bevolking genomen maatregelen behoort, verwierp deze kritiek. Op bijzondere ‘corona-zittingen’ werd bovendien erg kort op de bal gespeeld en werden effectief de sancties opgelegd die waren bepaald door de wet op de civiele veiligheid.

Inbreuken op de specifieke maatregelen geldend voor bedrijven, behoorden niet tot de bevoegdheid van de politierechtbank maar van de correctionele rechtbank. Effectieve strafvervolging bleef voor deze categorie uitzonderlijk, maar ook daar zag men niet meteen graten in de vorm die deze regels hadden aangenomen.

Enkele rechtbanken zagen dat anders: zowel in Charleroi als iets later in Brussel weigerde een politierechter op deze basis een boete op te leggen. Beide uitspraken kregen veel persaandacht, wat ook het geval was toen de correctionele rechtbank van West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, in graad van hoger beroep iets later hetzelfde ging doen. Het is tegen één van deze vonnissen dat de procureur des konings cassatieberoep instelde.

Het standpunt van het Hof van Cassatie

Het Hof van Cassatie hakt nu definitief de knoop door en stelt uitdrukkelijk dat artikel 182 van de wet op de civiele veiligheid wel degelijk een rechtsgrond biedt voor ‘maatregelen die er toe strekken te vermijden dat onnodig gebruik zou worden gemaakt van de openbare ruimte, zoals een samenscholings- en verplaatsingsverbod’. Het vonnis dat weigert om de in deze wet voorziene sancties toe te passen wordt dan ook vernietigd, en de zaak wordt voor verdere afhandeling verwezen naar de correctionele rechtbank van Oost-Vlaanderen.

Het arrest komt er bijzonder snel: het vernietigde vonnis werd gewezen op 2 juli 2021, het cassatiearrest op 28 september. Het werd daarenboven gewezen in voltallige zitting en omstandig gemotiveerd. Het Hof neemt dus duidelijk zijn verantwoordelijkheid en zorgt op erg korte termijn voor rechtszekerheid.

En de Pandemiewet?

Eén week na het arrest van het Hof van Cassatie trad ook de nieuwe Pandemiewet in werking. Meer bepaald op 4 oktober 2021, want dat was exact de eenendertigste werkdag te rekenen vanaf de eerste werkdag na de bekendmaking van de ‘Wet betreffende de maatregelen van bestuurlijke politie tijdens een epidemische noodsituatie’, zoals de wet van 14 augustus 2021 voluit heet. De wet biedt een nieuwe grondslag tot het nemen van ‘maatregelen van bestuurlijke politie na afkondiging van een epidemische noodsituatie’. Nationaal zal dit voortaan moeten gebeuren bij koninklijk besluit, maar wanneer lokale omstandigheden het vereisen kunnen gouverneurs en burgemeesters, elk voor hun eigen grondgebied, strengere maatregelen nemen. Enkel bij ‘dreigend gevaar’ kunnen ‘maatregelen die geen enkel uitstel dulden’ nog worden opgelegd bij ministerieel besluit.

De optie om bij koninklijk besluit specifieke maatregelen op te leggen aan bedrijven was reeds geruime tijd voorzien. Artikel 57 van de wet van 20 december 2020 paste daartoe artikel 4, § 1 van de Welzijnswet aan, en het verbaast dan ook dat niet eerder van deze optie gebruik werd gemaakt. Het had ons met name de bedenkelijke constructie met het inmiddels reeds tweemaal gewijzigde artikel 238 van het Sociaal Strafwetboek kunnen besparen.


Bronnen: 
-Cass. 28 september 2021, nr. P.21.1129.N, gewezen in voltallige zitting
-Wet van 14 augustus 2021, BS 20 augustus 2021, ed. 2
-J.Flo, Corona-MB verdeelt de rechtspraak, Juristenkrant 4 november 2020
-M. Janart, Kortrijkse rechters maken heel wat coronaboetes ongedaan in beroep, De Standaard 26 mei 2021
-L. Todts, Vrijheid in crisis: coronamaatregelen staan op gespannen voet met het recht op bewegingsvrijheid, Juristenkrant 29 april 2020, 11