Een vraag? Een suggestie?

Ik wil een vraag stellen of een suggestie aangeven

Interesse?

Wenst u meer nieuws, praktische informatie en wetgeving over welzijn op het werk, milieu en arbeidsgeneeskunde?

Noodverlichting: wie is verantwoordelijk voor het onderhoud?

Nieuws - 26/10/2021
-
Auteur(s): 
Michel Vanschoonlandt / Vinçotte


X verhuurt een bedrijfsgebouw aan Y. X vraagt zich af wie er verantwoordelijk is voor het onderhoud en de goede werking van de noodverlichtingsinstallatie.

Noodverlichting is bedoeld om te worden gebruikt in geval de normale verlichting uitvalt. Ze moet dan ook over een aparte voeding beschikken. Noodverlichting bestaat in verschillende specifieke vormen, zoals aangegeven in onderstaande figuur (bron: NBN EN 1838).



In het kader van de NBN EN 1838 wordt ‘noodverlichting’ beschouwd als een generieke term, waarvan er meerdere specifieke vormen bestaan:
  • veiligheidsverlichting is het gedeelte van de noodverlichting dat voorzien is om de veiligheid van personen te verzekeren bij een evacuatie van een zone of wanneer ze een potentieel gevaarlijk werk willen beëindigen alvorens de ruimte te verlaten;
  • vervangingsverlichting is het gedeelte van de noodverlichting dat toelaat om de normale activiteiten verder te zetten zonder veel aanpassingen.

Binnen de veiligheidsverlichting wordt een onderscheid gemaakt tussen:
  • evacuatieverlichting: het gedeelte van de veiligheidsverlichting dat ervoor zorgt dat de vluchtwegen te allen tijde veilig herkend en gebruikt kunnen worden wanneer de lokalen bezet zijn;
  • omgevingsverlichting (anti-paniekverlichting): het gedeelte van de veiligheidsverlichting dat bedoeld is om paniek te voorkomen en dat verlichting biedt om de aanwezigen in staat te stellen om de vluchtwegen te identificeren en te bereiken;
  • verlichting van gevaarlijke werkplaatsen: het deel van de noodverlichting dat voorzien is om de veiligheid te waarborgen van personen die potentieel gevaarlijke activiteiten verrichten of in een gevaarlijke omgeving werken en een correcte uitvoering van uitschakelprocedures mogelijk maakt voor de veiligheid van de operatoren en de andere aanwezigen in de lokalen.

De afdelingen 9.1.1. en 9.1.2. in Boek 1 van het AREI behandelen de plichten van de eigenaar, beheerder en uitbater voor wat betreft respectievelijk niet-huishoudelijke en huishoudelijke installaties. Geen van beide is echter eenduidig, afdeling 9.1.1. spreekt bijvoorbeeld over «De eigenaar, beheerder of uitbater van een niet-huishoudelijke elektrische installatie ...».

Elk van beide moet het nodige doen om ervoor te zorgen dat de gebruiker van de installatie op elk moment veilig is. In de praktijk kan men dit regelen door de taken en verantwoordelijkheden van de betrokken partijen contractueel vast te leggen. Wanneer er zich een ongeval zou voordoen, zouden ze ongetwijfeld allebei voor hun verantwoordelijkheid gesteld worden. Merk op dat er ook andere voorschriften dan die van het AREI van toepassing kunnen zijn waarin de verantwoordelijkheden worden vastgelegd.

Wanneer de eigenaar, beheerder of exploitant echter werkgever is, laat de Codex over het welzijn op het werk, art. III.3-22 betreffende de brandpreventie op de arbeidsplaatsen er geen twijfel over bestaan: het is de werkgever die verantwoordelijk is voor de periodieke controle en het onderhoud, ongeacht of hij eigenaar, beheerder of uitbater is.

Merk op dat op basis van het nieuwe AREI (Boek 1, Afdeling 5.5.5.) de uitbater de correcte werking van de (al dan niet geïntegreerde) veiligheidsbron van veiligheidsverbruikers moet waarborgen door middel van onderhoud en toezicht.

Meer informatie