Een vraag? Een suggestie?

Ik wil een vraag stellen of een suggestie aangeven

Interesse?

Wenst u meer nieuws, praktische informatie en wetgeving over welzijn op het werk, milieu en arbeidsgeneeskunde?

Wat brengt de nieuwe brandpreventierichtlijn voor opslagplaatsen gevaarlijke producten?

Nieuws - 24/01/2022
-
Auteur(s): 
Guy Van den Broeke – senior consultant Arcadis Belgium nv


 De nieuwe brandweerrichtlijn met voornamelijk technische eisen, waar 5 hulpverleningszones en opslagbedrijven bij betrokken zijn, heeft als doel om te komen tot uniforme brandweerrichtlijnen voor industriële brandpreventie met betrekking tot opslagmagazijnen gevaarlijke goederen en bluswateropvang, en dit vanaf de ondergrens van klasse 2 voor één product wordt overschreden. Er worden strengere eisen gesteld op het vlak van stabiliteitseisen van de structurele elementen voor opslagplaats type X, evacuatie, bereikbaarheid en toegankelijkheid, lokaal waarin de centrale controle- en bedieningspost zich bevindt en bluswatervoorziening buiten de opslagplaats. Afwijkingen zijn mogelijk mits onderbouwing.
 


Doel

Het doel is om te komen tot uniforme brandweerrichtlijnen voor industriële brandpreventie met betrekking tot opslagmagazijnen gevaarlijke goederen en bluswateropvang. De richtlijn is gebaseerd op de bestaande brandweerrichtlijn van Beveren. De ontwerprichtlijn wordt gebaseerd op hoofdstuk III Veiligheid van het algemeen politiereglement van de gemeente Beveren die onder andere van toepassing is op linker schelde-oever van de haven van Antwerpen. In tweede fase is het de bedoeling om de tankenpark-richtlijn in een apart proces te herzien.

Aan een opslagplaats voor gevaarlijke goederen, zowel van type X als type Y (zie verder), worden ten opzichte van een industriegebouw klasse C uit Bijlage 6 van KB van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de gebouwen moeten voldoen) voor volgende hoofdzaken strengere en/of aanvullende eisen gesteld:

  • een lagere toegelaten maximale compartimentsoppervlakte;
  • het verplicht voorzien van een aan het risico aangepaste automatische blusinstallatie;
  • een beperkte diepte van een compartiment;
  • hogere brandweerstandseisen van de doorgangen in compartimentswanden;
  • een aangepaste minimale afstand tussen gebouwen;
  • beperking van de toegelaten activiteiten en lokalen binnen de opslagplaats;
  • kortere toegelaten evacuatieafstanden;
  • beperkingen op het installeren van PV-installaties;
  • beperkingen in het voorzien van batterijoplaadplaatsen.

Gezien de verhoogde risico’s verbonden met het opslaan van (licht) ontvlambare vloeistoffen in een opslagplaats type X, worden voor volgende zaken bijkomende of strengere eisen gesteld in vergelijk met een industriegebouw klasse C uit Bijlage 6 van KB van 7 juli 1994:

  • een hogere stabiliteit bij brand van de structurele elementen type I;
  • een hogere brandweerstand van de compartimentswanden.
Toepassingsgebied

De richtlijn is van toepassing op opslagplaatsen van verpakte gevaarlijke goederen in verplaatsbare recipiënten, inclusief laad- en losactiviteiten ook als ze slechts kortstondig in het kader van de transportketen aanwezig zijn in de overdekte opslagplaats of behandelingszones. Vanaf de ondergrens van klasse 2 voor één product wordt overschreden, is de richtlijn van toepassing.

De voorschriften uit de richtlijn zijn van toepassing op:

nieuw op te richten en uitbreidingen aan bestaande opslagplaatsen voor gevaarlijke producten waarvoor een aanvraag tot omgevingsvergunning wordt ingediend.

  • bestaande opslagplaatsen die door functiewijziging een vernieuwde omgevingsvergunning vereisen. Dit om de mogelijke risico’s verbonden aan een wijziging van ingedeelde inrichting op te vangen met de striktere voorschriften opgenomen in deze richtlijn.
Indeling van opslagplaatsen

De opslagplaatsen voor gevaarlijke goederen worden onderverdeeld in opslagplaats:

- type X (meest gevaarlijke stoffen zoals licht ontvlambare vloeistoffen, oxiderende vloeistoffen en vaste stoffen, acuut gezondheidsgevaarlijke stoffen en CMR-stoffen),

 - type Y (minder gevaarlijke stoffen zoals brandbare vloeistoffen, ontvlambare vaste stoffen, gezondheids- en milieugevaarlijke stoffen;

- type Z (niet-gevaarlijke stoffen behorende tot CLP-ingedeelde milieugevaarlijke producten zoals chronisch gevaar voor het aquatisch milieu (gevarencategorie 4)). In het kader van voorliggende richtlijn worden geen specifieke bijkomende maatregelen opgelegd. Bijlage 6 van KB basisnormen dient gevolgd.

De indeling is gebaseerd op de CLP-verordening. Ook stoffen die op basis van hun IMDG-classificatie in overeenstemming kunnen worden gebracht met een gevarenaanduiding uit de CLP-verordening worden als gevaarlijke stof beschouwd.

Het opslaan van producten behorende tot een productcategorie niet vermeld in de opsomming van stoffen voor opslagplaatsen type X, type Y of type Z, vereist expliciet overleg met de territoriaal bevoegde hulpverleningszone gezien bijzondere risico’s waarvoor gerichte en aangepaste brandbestrijdingsmaatregelen nodig zijn. Aan de hand van een brandveiligheidsnota (inclusief risicoanalyse) moet de (brand)veiligheid van de opslagplaats aangetoond worden.

Compartimentering

De stabiliteitseisen bij brand van de structurele elementen type I voor opslagplaatsen type X (R240) is strenger dan deze voor industriegebouwen klasse B of C (R120). Voor een opslagplaats type Y wordt eenzelfde stabiliteit (R120) van de structurele elementen type I geëist als in bijlage 6 voor gelijkaardige opslagplaatsen (industriegebouw klasse C).

De oppervlakte van een compartiment type X wordt beperkt tot 2000 m². De oppervlakte van een compartiment type Y wordt beperkt tot 8000 m².

Voor een opslagplaats type X dienen de compartimentswanden een brandweerstand (R)EI240 te bezitten. Dit is hoger dan voorgeschreven in bijlage 6 voor een industriegebouw klasse B of C. In een opslagplaats type Ywordt eenzelfde brandweerstand geëist als deze voorgeschreven in bijlage 6 voor een industriegebouw klasse B of C.

Afstand tussen gebouwen

Er is besloten om de minimale tussenafstand voor zowel een opslagplaats type X als type Y vast te leggen op 24 m. Dit geldt enkel en alleen voor het geval de gevel van de opslagplaats geen brandweerstand bezit of meer dan 20 % openingen zonder brandweerstand heeft.

Om de exploitant of bouwheer de mogelijkheid te bieden om dichter dan 24 m te bouwen is het toegestaan om aan de hand van stralingsberekeningen volgens de methodiek van bijlage 6, aan te tonen dat de invallende straling op tegenoverstaande gebouwen niet meer dan 15 kW/m² bedraagt. De berekening dient te gebeuren met een uitgaande straling van 60 kW/m² (i.p.v. de gebruikelijke 45 kW/m² uit bijlage 6). Om veilige interventiemogelijkheden/opstelmogelijkheden te waarborgen is de minimale tussenafstand gelijk aan de hoogte van het gebouw vermeerderd met 6 m.

In het geval de gevel van een opslagplaats voor gevaarlijke goederen een brandweerstand EI120 (i↔o) (type X) of EI60 (i↔o) (type Y) bezit en niet meer dan 20 % openingen zonder brandweerstand heeft, dient de tussenafstand altijd te worden bepaald met stralingsberekeningen conform de methodiek uit Bijlage 6. De afstand mag in geen geval kleiner zijn dan de hoogte van het gebouw. In dit geval is de uitgaande straling IEC gelijk aan 170 kW/m² (zuurstof gecontroleerde brand).

Evacuatie

Er worden strengere eisen gesteld dan deze opgenomen in bijlage 6. In een opslagplaats type X wordt de af te leggen weg tot de eerste uitgang beperkt tot 30 m en tot de tweede uitgang tot 60 m. De maximale afstand van een doodlopende of gemeenschappelijke vluchtweg wordt beperkt tot 15 m. Ter vergelijking, in Bijlage 6 geldt voor een industriegebouw met een sprinklerinstallatie een maximum afstand van 90 m tot de eerste uitgang met een gemeenschappelijk deel van maximaal 30 m. In bijlage 6 wordt geen beperking opgelegd voor de af te leggen weg tot een tweede uitgang.

Voor opslagplaatsen type Y worden de afstanden beperkt tot 60 m (eerste uitgang) en 90 m (tweede uitgang) met een maximaal gemeenschappelijk deel of doodlopende weg van 30 m.

Bereikbaarheid en toegankelijkheid

Er worden strengere eisen opgelegd omdat door de aanwezigheid van (licht)ontvlambare en brandbare vloeistoffen een snellere branduitbreiding te verwachten valt in vergelijking met een standaard industriegebouw.

Bluswatervoorziening buiten de opslagplaats

De primaire bluswatervoorziening moet zo zijn ingericht dat de brandweer steeds beschikt over een debiet van 3600 lpm en dit voor 2 uur. Dit is een hoger debiet dan geëist in bijlage 6 (primair = 1000 lpm, secundair = 1500 lpm) omdat ervan uit wordt gegaan dat het blussen van een opslagplaats voor gevaarlijke goederen meer water vereist dan een standaard industriegebouw.

Afwijkingen

Om aan de opslagbedrijven een zekere flexibiliteit te bieden en om de mogelijkheid te bieden om nieuwe technologische vooruitgangen te integreren, is het toegelaten om uitzonderlijk af te wijken van voorschriften uit de richtlijn mits een gelijkwaardig brandveiligheidsniveau kan aangetoond worden. Deze gelijkwaardigheid kan worden onderbouwd door een brandrisicoanalyse, het beschrijven van compenserende maatregelen en/of ondersteund met berekeningen en/of plannen met hittestralingscontouren. Deze brandweerrichtlijn is streng (bv. wat betreft maximaal af te leggen weg tot uitgangen, lokalen anders dan bedoeld voor opslag, minimale brandweerstand van de structurele elementen voor een opslagplaats type X zeker in geval van aanwezigheid blusinstallatie). Het combineert strenge eisen zowel voor actieve als passieve brandpreventie. De vrees bestaat dat het op die manier niet meer haalbaar zal zijn om een kleine hoeveelheid gevaarlijke stoffen op te slaan in een groter magazijn met voor het overige vooral niet gevaarlijk ingedeelde goederen. Opslagplaatsen hebben meestal een hoog plafond en zijn overzichtelijk. Ook is het aantal aanwezigen laag. De evacuatie verloopt dus vlotter dan in andere industriegebouwen. Het is dan niet logisch om strenger te zijn, zeker indien ook een automatische blusinstallatie verplicht wordt. Aangezien het brandweerreglement Beveren niet gekend is buiten de haven van Antwerpen is het belangrijk de economische en operationele impact voor bedrijven buiten de haven te onderzoeken. De richtlijn geldt op Vlaams niveau, waarbij lokaal kan gedifferentieerd worden. Hierbij moet wel bewaakt worden dat voor elke afwijking geen brandingenieur noodzakelijk is. 


Bron:  Richtlijnen opslagplaatsen voor gevaarlijke goederen en bluswateropvang - FPC Risk

Extra informatie: in senTRAL: Opslag van gevaarlijke stoffen